Kerk Erpekom
Kerk Erpekom - #27

Bouwperiode: 11e eeuw | Afkomstig van: Erpekom | Naar Bokrijk gekomen in: 1960 | locatie in het museum: Kempen

Het gebouw en haar verleden

Het oudste deel van het dorpskerkje is het eenbeukige schip uit zwerfkeien (vermoedelijk 11de eeuw). Later is er in dezelfde eenvoudiger romaanse stijl een vierkant koor aan toegevoegd. In de 16de eeuw werd de bakstenen toren aangebouwd. Het sobere interieur bevat verschillende interessante kunstvoorwerpen : tussen de laatmiddeleeuwse beelden prijkt een voorstelling van Sint-Hubertus, de patroon van de kerk; in de toren staat een boomstamkoffer met zwaar ijzerbeslag.

TIJDLIJN

1100
In Erpekom (Peer) staat een eenvoudig dorpskerkje met muren uit keien en een houten dak. Het koor wordt later aangebouwd.

1550
Een toren uit baksteen vervangt de kleine daktoren van dit typisch romaanse kerkje. Later volgen er nog meer verbouwingen.

1960
De kerk uit Erpekom komt naar Bokrijk. Bij de afbraak, begonnen op 24 februari 1960, worden de keien van de buitenmuren stuk voor stuk genummerd.

1961
Aan de hand van bijna 6000 foto’s wordt de kerk uit Erpekom in Bokrijk in elkaar gepuzzeld.

1962
Monseigneur Heuschen, hulpbisschop van Hasselt, zegent de kerk in Bokrijk opnieuw in. Er zullen geregeld doopsels en huwelijken plaatsvinden.

2017
De restauratiewerken zullen dit jaar starten en in de loop van 2018 worden afgerond.

 

OVER DE KERK

De kerk werd in de 11e eeuw gebouwd en stond in Erpekom tot 1960. De kerk werd verworven door Bokrijk in 1959.

De muren van de kerk zijn uit verschillende materialen opgebouwd. Het middelste gedeelte – het ´schip´ – bestaat uit zwerfkeien. Dit is de ruimte die als eerste is gebouwd. De onderdelen die zijn gemaakt met bakstenen zijn hier later aan toegevoegd. Het vierkanten koor werd in de 12e of 13e eeuw aangebouwd en de toren in de 16e eeuw.

Ook het interieur en haar invulling was aan vele veranderingen onderhevig. Bewijs van Romaanse stijlkenmerken werden teruggevonden in het nog bewaarde voetstuk van een altaar. Van hieruit werd een nieuw altaar gereconstrueerd met een oud massief in blauwe steen uit het begijnhof van Hasselt. Ook andere Romaanse cultusobjecten (beelden) werden gedeeltelijk overgebracht naar Bokrijk. Zo zijn de banken afkomstig uit de kerken van Heers en Gutschoven, staat er in de toren een boomstamkoffer met zwaar ijzerbeslag en werd één van de muurschilderingen van het interieur gereconstrueerd met behulp van het Koninklijk Instituut van het Kunstpatrimonium. De afbeelding van Sint-Hubertus op zijn paard aan de noordelijke zijgevel doet weer dienst als uitdrager van de patroonheilige van deze kerk. Het eikenhouten kapgebinte in schip en koor is een reconstructie van een Romaanse dakstoel. Ook de nieuwe geglazuurde vloertegels zijn naar historisch model. Deze Romaanse stijl heeft de kerk nochtans niet altijd gehad.

In de 18de eeuw werd de kerk vernieuwd conform de toen heersende mode: de Barok. Tot in de 20ste eeuw werd de interieurafwerking aangepast aan modegrillen. Voordat de kerk in 1959 naar Bokrijk werd overgebracht, had die een vloer van leem en waren de muren groen beschilderd.

In 1962 vond de heropbouw plaats en werd de kerk terug geopend en plechtig ingewijd. Het interieur van het zijaltaar werd overgebracht naar de kapel Metseren en het altaar in barokstijl ging naar de kapel van de ‘Natte Bampt’ uit Zepperen. Beide gebouwen bevinden zich eveneens in Bokrijk.

Algemene restauratiewerken van de kerktoren vonden plaats in 1981, maar die hebben niets visueel veranderd aan de kerk.


LEVEN ONDER DE KERKTOREN

In het dorpsleven stond de kerk centraal. De kerk was de plek waar belangrijke rituelen zoals huwelijken plaatsvonden en waar dorpelingen bij elkaar kwamen voor misvieringen. De kerkklokken speelden ook een belangrijke rol. Ze kondigden kerkdiensten aan, maar ook naderend gevaar. Verder gaven ze bijvoorbeeld het sein om herbergen te sluiten of om de jacht te openen.

De katholieke kerk verbood werken op zondagen en kerkelijke feestdagen. Naast dat werkverbod was het verplicht om op die dagen de misviering bij te wonen. Maar niet werken was bijna onmogelijk op het platteland. Het verzorgen van dieren kon bijvoorbeeld niet wachten. Veel pastoors hadden daar begrip voor, zolang je maar van tijd tot tijd naar de mis kwam. Dat was niet altijd evident, bijvoorbeeld door de verre afstand tot de kerk. Vanaf 1771 hoefde je op feestdagen niet langer verplicht naar de mis. De zondagsplicht bleef wel bestaan. In 1905 werd de zondagsrust ook bij wet ingevoerd in België.

Ieder jaar vierde men de dag waarop de kerk voor het eerst werd gebruikt met een speciale viering: de kerkmis. De parochianen liepen in een optocht naar de kerk. Na de viering was er in het dorp van alles te beleven. Kooplieden deden goede zaken op de markt. De dorpelingen speelden spelletjes, zongen en dansten. Stilaan verbasterde ‘kerkmis’ tot ‘kermis’.