Woonkamer

De kook- en eetplaats is in veel Belgische huishoudens lange tijd de belangrijkste kamer geweest, zeker op het platteland en in arbeidersmilieus. In de jaren 1950 en 1960 wint de woonkamer snel aan populariteit. Met groeiend enthousiasme investeren de Belgen in een comfortabele woonomgeving.

Ze richten hun woonkamer gezellig in met een kamerbreed tapijt of ‘tapis plein’, een grote eettafel, open kasten en sfeerverlichting. De kolenkachel heeft afgedaan, iedereen wil nu centrale verwarming of een kachel op stookolie of gas. Interieurbladen geven de nieuwe trends aan: erg populair is de grote leefruimte met een keukenhoek, afgebakend door een ‘toog’ met hoge krukken.

Sfeer en gezelligheid zijn de nieuwe codewoorden. Meubelfabrikanten spelen handig in op de stijgende vraag naar trendy woonkamers en stellen nieuwe interieurs voor in verschillende stijlen, van rustiek tot futuristisch. Dankzij de ‘moderne’ materialen – plastic, formica, vinyl en houtvezelplaten – worden de meubels een stuk betaalbaarder. Er komen nu ook goedkope zelfbouwmeubels op de markt.

De televisie krijgt een ereplaats in de woonkamer. Steeds meer huiskamers hebben er één. Wie nog geen televisie heeft, kijkt bij buren of familie. De impact van het nieuwe medium is enorm. De eerste Amerikaanse communicatiesatellieten brengen de gebeurtenissen van over de hele wereld nog dezelfde dag in de huiskamer. De maanlanding, de tourzeges van Eddy Merckx, de begrafenis van president Kennedy: dankzij de tv beleven de mensen het allemaal vanop de eerste rij. De wereld wordt kleiner, de emotionele betrokkenheid groter. Maar er is ook een keerzijde: de televisie geeft een stevige knauw aan het sociale leven. Kaartavonden worden ingeruild voor Schipper naast Mathilde, Echo, de Lucy Ball show of Bonanza. En meer dan de helft van de filmzalen moet de deuren sluiten.