Jeugdkamer

Tijdens de jaren 1960 kent België een ware onderwijsexplosie. Nooit tevoren telde ons land zoveel leerlingen. Verder studeren na het lager onderwijs wordt nu ook voor ‘gewone’ mensen min of meer vanzelfsprekend. Tussen 1957 en 1971 verdubbelt het aantal leerlingen in de humaniora, van 175.372 tot 341.983.

Na de oorlog wordt er door de overheid fors geïnvesteerd in het onderwijs. Geslacht en sociale afkomst mogen geen belemmering meer zijn om te studeren. Er worden secundaire scholen bijgebouwd en er komen meer en betere studietoelagen.

Meisjes maken een opvallende inhaalbeweging: zij volgen steeds meer middelbaar onderwijs, hoewel de traditionele opleidingen huishoudkunde en ‘snit en naad’ populair blijven. Voor veel ouders, die vaak zelf niet de kans hebben gekregen om verder te studeren, worden de studies van hun kinderen een statussymbool.

Omdat ze langer in de schoolbanken zitten, blijven jongeren ook langer adolescent. Hun intrede in het arbeidsproces – en dus ook in de volwassenheid – wordt uitgesteld. Jongeren manifesteren zich steeds meer als een aparte sociale groep, met een eigen identiteit, muzikale voorkeur, dresscode en haarsnit. Ze zetten zich uitdrukkelijk af tegen de heersende normen en waarden van de vorige generatie. De ‘teenagers’ ontwikkelen een eigen jongerencultuur: ze ontmoeten elkaar in jeugdhuizen, volgen gitaarles, luisteren samen naar muziek.

Hoewel velen nog een kamer delen met broers of zussen, krijgen steeds meer tieners een eigen kamer met eigen meubels. De muren hangen vol posters van sport-, film- en muziekhelden. Hier vinden ze de ruimte en de rust om te studeren, maar ook om te luisteren naar piratenzenders als Radio Veronica of Radio Caroline op hun transistorradio.