Bankkantoor

In 1960 hebben ongeveer 1,3 miljoen Belgen een bankrekening, nauwelijks vijf jaar later zijn dat er al dubbel zoveel. In 1960 telt België 1.700 bankagentschappen, in 1965 zijn dat er 2.300 en nog eens vijf jaar later zijn het er 3000. De overheid en de spaarbanken laten geen mogelijkheid onbenut om te wijzen op het nut van sparen. De kinderen doen aan schoolsparen met zegeltjes en een spaarboekje.

De banksector haalt zijn voordeel uit de economische expansie en als geldschieter zwengelt ze de groei tegelijkertijd ook verder aan. Hypotheekleningen stimuleren de bouwnijverheid; verkoop op afbetaling wordt een van de pijlers van de consumptiemaatschappij. De mentaliteit van de Belgen verandert snel: de negatieve bijklank van schulden vervaagt, bankiers brengen krediet aan de man als een moderne manier van sparen. Vooral jonge gezinnen doen met steeds groter gemak een beroep op krediet voor de aankoop van huishoudelijke apparaten of een auto.

De banken brengen voor de vrouw grote veranderingen. Zij staan al in 1963 toe dat gehuwde vrouwen mogen blijven werken. Dat is een regeling die de overheid pas officieel in 1969 invoert. Voor het eerst in de geschiedenis kunnen vrouwen ook een eigen rekening openen. En plots weten ze precies hoeveel hun mannen verdienen: dat bedrag komt netjes per overschrijving binnen. Discussies over hoeveel geld er precies in het loonzakje zat, zijn voorgoed verleden tijd.