Architectenkantoor

In de jaren 1960 neemt de koopkracht sterk toe, worden er tal van staatspremies uitgereikt en wordt er massaal geïnvesteerd in sociale huisvesting. Aan het einde van de jaren 1960 woont meer dan de helft van de Belgen in een eigen huis. Het comfort gaat er met rasse schreden op vooruit. Steeds vaker zijn huizen uitgerust met elektriciteit, centrale verwarming, een eigen badkamer of een ingerichte keuken.

Jonge middenklassegezinnen, die dankzij de auto mobieler zijn geworden, trekken massaal naar ‘suburbia’, nieuwe groene woonwijken aan de rand van de stad, of naar verkavelingen op het platteland. Ruimtelijke regelgeving is er nauwelijks.

De veranderingen voor stad én platteland zijn immens.

Het platteland wordt al snel overwoekerd door villa’s en woonwijken. Het besloten, in zichzelf gekeerde dorp houdt op te bestaan. De eindeloze lintbebouwing klit steden en dorpen aan elkaar. Industrieterreinen, universitaire campussen, winkelcentra en sportcomplexen palmen nog meer landbouwgrond in. Open ruimte wordt schaars.

Niet alle architecten vinden dat een goede zaak. In zijn pamflet van 1968 Het lelijkste land ter wereld haalt Renaat Braem fel uit naar de ongecontroleerde bouwwoede in ons land.

Ook het stadszicht wijzigt dramatisch. De stad wordt minder aantrekkelijk om in te wonen en verandert in de ideale werkplaats. De ‘krotopruiming’ die kort na de oorlog in gang was gezet, komt in een stroomversnelling. Oude huizen en soms hele stadswijken gaan tegen de vlakte om plaats te maken voor moderne kantoren, appartementsblokken, parkeerterreinen en nieuwe wegen. De neergang van de binnenstad wordt pas langzaam omgebogen in de loop van de jaren 1980. De opwaardering zet zich tot vandaag voort.