Wat droeg een boerin?

Modeontwerper Tim Van Steenbergen ontwierp een collectie praktische, hedendaagse kleding voor de medewerkers van Bokrijk. Hij haalde daarvoor inspiratie uit historische kledingstukken en foto’s. Historisch projectbureau Geheugen Collectief ging op zoek naar de verhalen achter die kledingstukken.

Wat droeg een boerenvrouw op het platteland van Vlaanderen honderdvijftig jaar geleden? Je ontdekt het in de expo in Bokrijk en op deze website. Het onderzoeksrapport van Geheugen Collectief kan je hier ook downloaden.

Wat droeg de boerin?

Vlaamse en de Waalse plattelandsvrouwen droegen zelden een kleed uit één stuk, maar wel een rok, een of meerdere onderrokken en een blouse, een jasje of jak. Over hun ondergoed weten we weinig, het bestond wellicht uit een combinatie van een onderlijfje met een korset of een verstevigd lijfje. Een schort hield hun rok proper. Om zich warm te houden droegen ze een kapmantel of een omslagdoek. Hun hoofd bedekten ze bijna altijd, met een eenvoudige werkmuts, of – meestal enkel op zondag – een streekmuts.

Het hoofd altijd bedekt

Plattelandsvrouwen droegen tot aan de Eerste Wereldoorlog bijna altijd iets op hun hoofd. Vaak was dat een ‘streekmuts’, een versierde muts met kant, tule en allerlei plooitjes en spelden. Elke regio had er zijn eigen variaties op. In de Kempen werden er heel wat ‘vleugelmutsen’ of ‘trekmutsen’ gedragen, vaak versierd met honderden kleine speldjes. Het maken van zo’n muts was echt vakwerk. Boerengezinnen deden ervoor een beroep op een lokale vakvrouw, de mutsenmaakster.

De streekmuts was een duur stuk. Niet alleen kon je de muts niet zelf maken. Hij moest om de paar weken ook opnieuw worden gewassen en terug in model gebracht of ‘opgemaakt’ worden. Ook dat moest je uitbesteden en kostte dus geld. Veel boerenvrouwen waren daarom zuinig op hun muts. Ze droegen hem alleen op zondag. Maar vrouwen die hun streekmuts niet op hadden, liepen niet blootshoofds rond. Zij droegen een eenvoudige werkmuts of kap zonder versieringen. Ook wie in de rouw was droeg een eenvoudige muts, of je nu rijk of arm was.

Van India tot in Parijs

Rond 1800 kocht Napoleon in Egypte voor zijn vrouw Joséphine een luxueus cadeau. De ‘pashmina’ die hij haar schonk, was een sjaal van fijne kasjmierwol. De sjaal was in Egypte geïmporteerd vanuit India. In de Noord-Indische Kasjmir-regio weefde men deze sjaals al sinds de viertiende eeuw. In oorsprong was het een luxueuze mannendracht. De sjaals werden gemaakt van een superieure kwaliteit van wol, afkomstig van de onderharen van een berggeit uit het Centraal-Aziatische hooggebergte.

Joséphine was eerst niet enthousiast over het cadeau. ’Lelijk en duur’, zou ze gezegd hebben. De sjaal paste echter goed bij de Empire-jurken die op dat moment in de mode waren. Dat waren heel lichte jurken van wit of licht gekleurd katoen of linnen, waar de sjaal mooi bij drapeerde. Joséphine werd toch fan en verzamelde zelfs een hele set van de dure hebbedingen. Als keizerin was ze een trendsetter: wat Joséphine had, wilden andere rijke vrouwen ook. De sjaals vonden daarom veel aftrek bij de Europese adel. En uiteindelijk belandden ze ook op het Kempense platteland.

Van Parijs tot in Bokrijk

In het begin van de negentiende eeuw was bij de Europese adel de kasjmieren sjaal uit India in de mode. Die was peperduur. Het vervoer ervan naar Europa was omslachtig en het weefproces arbeidsintensief. Aan één sjaal waren twee wevers minstens een jaar bezig. Al snel probeerden Europese ondernemers daarom goedkopere imitaties te produceren. Ze maakten de designs machinaal na, met goedkopere materialen en eenvoudigere patronen. Het succes van de imitaties was overweldigend. De goedkope versies lieten toe dat een groot deel van de Europese bevolking de mode kon volgen. Ook Kempense plattelandsvrouwen konden zich nu zo’n sjaal veroorloven.

Bij rijke vrouwen was de sjaal al in het midden van de negentiende eeuw al uit de mode. Op het platteland bleef hij langer in zwang. Hij werd gedragen als omslagdoek, maar was ook populair als interieurtextiel. Misschien lag er ook bij jouw grootouders eentje op de buffetkast of piano? Dankzij die gewoonte werden er heel wat exemplaren bewaard. Zo kwamen er ook enkele mooie stukken in Bokrijk terecht

Moeder, wat zit er in uw zakken?

Voor de handtas zijn intrede deed, hadden heel wat vrouwen ‘zakken’. Die werden met linten om de taille vastgesnoerd. Je droeg ze tussen je rok en je schort, of nog vaker tussen rok en onderrok. Rijke vrouwen hadden overdadig versierde zakken. Armere vrouwen maakten hun zakken van overschotjes stof of uit een oude rok. Maar ook zij kozen er soms voor om hun zakken te versieren met eigen borduurwerk. Hoewel ze mooi en groot waren, sprongen de zakken niet in het oog.

Boerenvrouwen borgen er onder andere hun geldbeugel in weg, maar ook eten, een mes, een schaar, tabak, sleutels, een zakdoek of andere gebruiksvoorwerpen. Mannen droegen zulke zakken niet. Zij gebruikten de zakken van hun broeken, vesten of jassen om hun spullen in weg te bergen.

De schort

In het verleden droegen zowat alle werkende vrouwen op het platteland en in de stad een schort boven hun rokken, van boerinnen, en fabrieksarbeidsters tot kindermeisjes, meiden en verpleegsters. De schort had verschillende functies, maar de belangrijkste was om de kleding eronder te beschermen tegen vuil. De schort was echter niet enkel werkkledij. In veel gevallen was het ook een mode-item. Hij werd niet alleen gedragen door de lagere klassen en werkende vrouwen, maar ook door burgervrouwen. Voor hen was de schort een stijlaccessoire. In tegenstelling tot een werkschort moest een zondagse schort straalwit, kraakhelder en mooi geplooid en gestreken zijn. Aangezien heel wat kledingstukken niet tot moeilijk te wassen waren, was het vaak een kwestie van trots om bepaalde kledingstukken, zoals ook de zakdoek of streekdrachtmuts, zo proper mogelijk te houden.

Meer?

In het onderzoeksrapport van Geheugen Collectief dat je hier kan downloaden vind je meer informatie over de plattelandskleding in het verleden.