21/09/2015

Wielersport, door de ogen van Christophe Vandegoor

De technische evolutie in de wielersport heeft de laatste jaren een enorme vlucht genomen. Flinterdunne en aerodynamische kledij, vederlichte carbonframes, hoogtestages en een medische begeleiding om u tegen te zeggen. Het huidige wielrennen is amper nog te vergelijken met de periode van de wollen broeken, de metalen drinkbussen en het eten van een dikke lap vlees, drie uur voor de koers.

Op menselijk vlak is er, helaas, weinig of niets veranderd. De wereld van het profwielrennen bestaat uit vele hanen die allemaal op dezelfde stok willen zitten. Kenmerkend voor topsport in het algemeen en niet uitsluitend voor het wielrennen, I know. Binnen een ploeg worden twee of drie kopmannen omringd door helpers, knechten. De woordenschat illustreert de ondergeschiktheid. Met vriendelijkheid, respect en eerlijkheid kom je helaas niet ver. Neem nu Lottorenner Jürgen Roelandts, een crème van een kerel, zoals men zegt. Vriendelijk, voornaam, en zachtaardig. Ondanks zijn eigen, niet te miskennen talent, heeft Roelandts vaak rekening gehouden met anderen. Wat levert het hem op? Niets, zelfs geen selectie voor het wereldkampioenschap in Amerika. En dat is, vanuit menselijk maar ook sportief standpunt, best wel jammer. Een te vertrouwen soldaat wordt thuis gelaten.

Wat brengt het op? Een ogenschijnlijk nietszeggende vraag speelt een grote rol in het wielrennen. Bij iedere actie, iedere beweging, ja zelfs ieder gesprek binnen en buiten het peloton, spookt die vraag in het achterhoofd van een renner. What’s in it for me? Welke winst kan ikzelf behalen? Grote vriendschappen zie je hier niet ontstaan, laat staan standhouden. Ik vraag renners na hun carrière wel eens of ze nog contact hebben met hun collega’s van weleer. Net als in het ‘gewone’ leven is het antwoord ontnuchterend hard: niet of nauwelijks. Om het in de woorden van de intussen overleden Nederlander Gerrie Knetemann (ex-wereldkampioen) te zeggen: ‘Dan heb je heel je leven je ballen afgedraaid, hoor je er niets meer van.’ En toch…

En toch bestaat vriendschap in het peloton, zelfs nog lichtjaren na het bestaan als renner. Eddy Merckx is daarvan het mooiste en beste voorbeeld. Merckx won meer dan 500 wedstrijden, had het daarom altijd en overal voor het zeggen. Hij was de baas en pikte zijn onderdanen uit.  Zijn bijnaam  De Kannibaal zegt alles en is allesverterend. Hij peuzelde iedereen op en liet geen kruimel voor een ander, niets, nada. Merckx kende maar één woord:  winnen! Maar die felle karaktertrek heeft de vriendschap tussen de koning en zijn onderdanen niet in de weg gestaan. Tot op de dag van vandaag zoeken de renners van Merckx elkaars gezelschap op. Bij een wekelijkse fietstocht, bij het drinken van een goed glas. Werkrelaties zijn overgegaan in vriendschappen, met respect voor elkaar, vroeger als renner, nu als mens. Misschien ook omdat Eddy Merckx de werkelijkheid in de jaren zestig en zeventig zo overduidelijk neerzette. Hij liet geen ruimte voor interpretatie: hij de kopman, de anderen in dienst van de kopman. Zo verging het ook Coppi, Bartali, Van Steenbergen en Van Looy. Het was het een of het ander, een tussenweg bestond niet. In tegenstelling tot onze hedendaagse maatschappij en dus ook het wielrennen, dat daarvan een afspiegeling is. Toenemend individualisme, grotere keuzemogelijkheden en een veranderde mentaliteit hebben ervoor gezorgd dat het nu ieder voor zich is, teruggetrokken in de eigen wereld. Het eerste wat renners vragen wanneer ze de lobby van het hotel betreden, is of de wifi voldoende sterk werkt. Om zich daarna achter de schermen van hun mobieltjes of laptops terug te trekken.

Vroeger was het beter. Ach, iedere generatie krijgt het te horen. Dat was vroeger zo en dat zal over dertig jaar nog zo zijn. Wie weet komen Boonen, Gilbert en Van Avermaet over tien jaar lekker gezellig bij elkaar op de koffie. Verhalen ophalen over vroeg. En Jürgen Roelandts mag ook komen.